Tijdje niet geblogd, waarvoor mijn excuses. Er is een hoogcultureel blogje in aanbouw, over mijn drie weken met Brahms, maar eerst even een laagcultureel uitstapje.
Van de week viel mijn oog op een itempje in DWDD: 'guilty pleasures', in dit geval in de muziek. Hoor je zo'n nummer op de radio dan gaat het volume een tandje hoger, als je in de auto zit moet je je bedwingen om het gaspedaal niet even extra in te drukken en er is een bijkans onweerstaanbare drang tot meezingen. En je durft aan niemand toe te geven dat je dit een leuke plaat vindt, want langs de culturele meetlat gelegd is het bagger.
Daarom speciaal voor u, een aantal van mijn guilty pleasures. Speel af en huiver.
En ik heb natuurlijk nog veel meer guilty pleasures. Maar ik ga het straks eerst even met u over Brahms hebben.
zondag 1 september 2013
De firma AutoRent adverteerde vroeger met de eenvoudige en daardoor geniale slagzin: 'AutoRent, als u zonder auto bent.' Zo'n zin blijft hangen.
Zojuist reed een autootje van Bo-rent door de straat. Ik denk dan meteen: 'Als u zonder bo bent.'
maandag 26 augustus 2013
Ik geef het direct toe: ik ben meer van de moderne en hedendaagse kunst dan van het oude spul. Zet mij neer voor een Malevich, een Klein of een Newman en je hebt de eerste uren geen kind aan me. Maar na twee portretten uit de Gouden Eeuw loop ik al te gapen, Rembrandt of geen Rembrandt. U begrijpt dan ook dat het Stedelijk mij niet snel genoeg kon heropenen maar dat ik de schermutselingen rond het Rijks Museum (moderne spelling) met enige distantie volgde. Ik ben echter geen barbaar dus het werd hoog tijd voor een bezoek aan het vernieuwde Rijks.
We hadden ons terdege voorbereid. We hadden alle jubelverhalen over de schitterende restauratie van het gebouw tot ons genomen, evenals het gejuich over de nieuwe presentatie van de collectie - Wim Pijbes had alle internationale recensies persoonlijk doorgetwitterd. Als tegenwicht had E. ons een kritisch stuk van Julian Spalding toegestuurd.
Natuurlijk moet eerst de hindernis van het beruchte fietstunneltje worden genomen. Als we de verhalen mochten geloven waren we daar ons leven niet zeker - moordlustige fietsers en scooterrijders met het mes tussen de tanden zouden hun uiterste best doen om ons de toegang te beletten.
Ongemolesteerd bereiken we echter de ingang - maar waar is de ingang? Rechts een rij voor een deur, links een deur zonder rij maar we een zoeken een lift om af te dalen naar het niveau van de binnenplaats. Een vriendelijke suppoost wijst ons de weg.
De rest van de middag blijven we in verwarring: waar zijn we, waar we willen we naar toe en hoe komen we daar? Toegegeven, het Rijks is een ingewikkeld gebouw, maar de bewegwijzering moet veel beter. Een consult van Paul Mijksenaar had vast geholpen. H. vat onze wanhoop kort en krachtig samen: 'Waar is de lift?'
Ook over de presentatie van de collectie hebben we wat noten te kraken. Spalding had in zijn stuk wel degelijk een punt: de presentatie biedt weinig tot geen context - er wordt geen verhaal verteld. En als je als bezoeker onvoldoende achtergrondkennis hebt (en dat geldt voor nagenoeg iedereen) mis je dus veel.
Daarnaast is het gebouw nog steeds volgepakt, alles staat dicht op elkaar. In combinatie met de donkere, paarsgrijze achtergrond waar de schilderijen tegenaan hangen en de zwakke verlichting roept dat een bijna claustrofobische reactie op.
Ik raak zelfs enigszins geïrriteerd als we in een hoekje van de zolder de collectie twintigste eeuw weggemoffeld zien. Een handje Cobra's, wat designstoeltjes, anderhalve Mondriaan en twee posters die toepasselijk tentoonstellingen in het Stedelijk aanprijzen, dat is het wel. Dat doet dit tijdvak echt tekort - stuur de bezoekers gewoon naar het Stedelijk en gebruik de vrijgekomen ruimte voor iets anders.
Toch past ook een woord van lof: het pand is schitterend gerestaureerd. De grote hal, voor de ingang van de Eregallerij, is een lust voor het oog. Je snapt niet dat een idioot ooit eens heeft besloten het allemaal wit te kalken.
Na een paar uur dwalen zijn we op. Het Museumplein aan de kant van het Rijks is een geslaagd stukje stad, met de grote vijver en het zicht op het Concertgebouw en de badkuip van het Stedelijk. En de ontvangst bij het Cobra Café is allerhartelijkst (zeker voor Amsterdamse begrippen) en de kroketten zijn er prima, ondanks dat ze niet van Van Dobben zijn. Maar dat is dan ook het enige echte minpuntje van een prima middag.
vrijdag 9 augustus 2013
Ik ga me laten omscholen. Tot hartchirurg. Want ik heb zojuist herontdekt dat ik verschrikkelijk goed kan priegelen.
Als kind was ik er goed in, in priegelen. Duplo heb ik overgeslagen, ik begon meteen met de veel kleinere en uitdagendere Lego-steentjes. En omdat technisch Lego in mijn tijd nog niet bestond, schakelde ik over naar Fischer Technik. Daar kon je eindeloos mee bouwen, veel steviger en ruimtelijker dan met Lego, maar je moest wel van frummelen houden.
Naast dit bouwkundig gefröbel bouwde ik ook schaalmodellen. Schepen, auto's en vliegtuigen. Heel veel vliegtuigen, vooral Engelse en Amerikaanse toestellen uit WO II. Airfix was de belangrijkste leverancier (schaal 1:72) met Matchbox als goede tweede. Ik bouwde ook wel modellen van Revell, maar minder (want duurder dan Airfix of Matchbox).
Je moet behoorlijk goed kunnen frunniken om die plastic bouwdoosjes goed in elkaar te kunnen krijgen. Overtollig plastic moet heel voorzichtig worden weggesneden, en als je wielen en propellers draaibaar wil monteren, moet de lijm uiterst nauwkeurig worden aangebracht.
Aan al dit geknutsel heb ik niet alleen een flinke kennis van allerlei oorlogstuig overgehouden, maar ook een vaste hand en een goed ontwikkeld fijnmechanisch inzicht. En dat kwam me onlangs zeer goed van pas.
De batterij van mijn iPhone 4 begon steeds sneller leeg te lopen en al gauw was het zover dat als ik 'm 's avonds oplaadde hij nog net de volgende ochtend haalde. Maar dan mocht ik niet midden in de nacht een paar setjes WordFeud spelen.
Een rondje internet leerde dat ik niet als enige met dit probleem kampte (de iPhone, niet de insomnia). Het lag of aan stroomvretende apps, of aan een slechte batterij, of aan allebei. Het uitschakelen van de apps bood geen soelaas, dus ik moest helaas de conclusie trekken dat de batterij aan het overlijden was.
Goede raad was duur. iPhones hebben geen wegklikbaar achterkantje waar je even een nieuwe batterij in legt. En volgens mijn provider zit ik nog een jaar aan dit toestel vast. De enige remedie: major surgery, dan wel door het uitbesteden aan een puistige puber van een techno-firma, of in eigen beheer.
Een tweede rondje internet leerde dat het vervangen van een batterij heel goed zelf te doen zou moeten zijn. Diverse instructiefilmpjes lieten zien dat het openschroeven van de iPhone, het ontkoppelen van de batterij en het verwijderen a piece of cake moest zijn. Monteren van de nieuwe batterij ging gewoon in de omgekeerde volgorde.
Ik besloot het erop te wagen en bestelde een nieuwe batterij met bijbehorend gereedschap van iFixit. Twee dagen later stond de firma FedEx op de stoep en diezelfde avond legde ik de patiënt open.
Losschroeven ging goed, het achterkantje ging er makkelijk af, het schroefje tussen batterij en printplaat ging eenvoudig los en voordat ik het wist had ik de boel uit elkaar. Het monteren was spannender. Alles ging soepel in elkaar, maar uit niets bleek hoe je kon vaststellen dat je het stekkertje van de batterij goed had vastgezet, zonder daarbij de antenne te mollen - volgens de diverse handleidingen die ik las, was dit het belangrijkste risico van de operatie.
Ik heb op hoop van zegen alles in elkaar gezet en de achterkant weer op de iPhone geschroefd. Na een druk op de aan-knop verscheen goddank direct het Apple-logo. Stroom! En verdomd, Wifi deed het nog, 3G ook en ik kon ook nog bellen. Hoezee! Operatie geslaagd.
En is de patiënt ook beter geworden? Jawel. 's Avonds opgeladen, een doorwaakte nacht met diverse WordFeud-battles en de batterij heeft niet meer dan 3 procent van zijn capaciteit verloren. Dat is een resultaat. En daarom word ik hartchirurg. En als dat niet lukt, God.
maandag 22 juli 2013
De eerste helft van deze zomer was ruk. Niet alleen omdat het weer niet op gang wilde komen, maar ook omdat Jack Vance op 26 mei stierf.
Eerlijk gezegd dacht ik dat hij al lang en breed dood was. Ik begon zijn boeken te lezen toen ik voor het eerst los mocht in de grote mensen-afdeling van de Openbare Bibliotheek in Haarlem. Dat moet ergens midden jaren zeventig geweest zijn.
Van boeken kreeg ik toen al geen genoeg. Mijn ouders voorzagen me van een gestage stroom leesvoer, zoals de boeken van Tonke Dragt, Jan Terlouw en natuurlijk de complete Bob Evers-serie, die ik wel met mijn broertje moest delen. Papa nam ons ieder weekend mee naar de boekhandel in Bloemendaal, waar we om de beurt het volgende deeltje uit de reeks kregen.
Natuurlijk was dit niet genoeg. Al snel maakte ik uitstapjes naar de boekenkast van mijn ouders. Wat mama las weet eigenlijk niet, maar papa had een indrukwekkende verzameling thrillers en detectiefjes. Er waren veel Zwarte Beertjes: de verzamelde werken van Havank en Charteris en natuurlijk het onvergetelijke Lodewijk Windstoot en de lijken in de lift van Marba. Ook was er een aardige collectie Elsevier-thrillers van Alistair MacLean, Desmond Bagley en Hammond Innes. En de boekjes van uitgeverij Born met een prettig rode oortjes-gehaltje, zoals die van H.J. Oolbekkink.
Ook werd ik in die tijd lid gemaakt van de Openbare Bibliotheek. We maakten eventjes gebruik van de vestiging aan de Zaanenlaan in Haarlem-Noord, maar ik werd al snel overgeplaatst naar het hoofddepot in het centrum, gevestigd achter de Raaks-parkeergarage.
Helaas: alle interessante boeken van de jeugdafdeling had ik zo uit. Arendsoog, de avonturen van Rob Staalman en omdat ik in de science fiction begon te raken: de avonturen van astronaut Ken Cassidy en die van ruimteverkenner Mark Stevens.
Gelukkig werd ik eigenlijk eerder dan mocht naar de volwassenenafdeling overgebracht. Een grote ruimte, met eindeloze rijen boeken. Wat een weelde!
Ik ging verder met waar ik gebleven was. Alle titels van MacLean, Bagley en Innes die we thuis niet hadden, stonden hier.
En er bestond veel meer science fiction dan ik ooit had durven dromen: van Robert Heinlein, Isaac Asimov, Frank Herbert, Larry Niven en Jack Vance.
Van Vance zijn me de trilogieën Tschai, Alastor en Durdane het meest bijgebleven en nu ik ze herlees, verbaast me dat enigszins. Ik had en heb een voorkeur voor space opera, met flitsende ruimteschepen en intergalactische knokpartijen (denk aan Star Trek of Star Wars). De boeken van Vance spelen zich weliswaar af op andere planeten, maar het gaat hier om vreemde landschappen en imaginaire samenlevingen, en hoe mensen zich daarin staande houden. De boeken van Jack Vance zijn veel rijker dan ik me herinner, en ik beleef er nu onverwacht veel plezier aan.
Het is een wonder dat ik ooit tot de echte literatuur ben gekomen.
dinsdag 9 april 2013
Begin jaren tachtig begon ik me voor politiek te interesseren. Het was crisis. Niet zoals in de jaren dertig en niet zoals nu, hoewel de crisis van nu en die van toen ook overeenkomsten hebben. De hoge (jeugd)werkloosheid is een goed voorbeeld.
Naast de economische crisis was er toen ook nog een Koude Oorlog. We wisten niet beter of de Sovjets konden morgen Europa binnenvallen en daarom moesten er ook in Nederland kruisraketten worden geplaatst: 'liever een raket in mijn tuin dan een Rus in mijn keuken'. Het dubbelbesluit was onderwerp van hevige discussie, hoewel niemand echt begreep hoe het in elkaar zat.
In de muziek was het ook een en al doem.
In Nederland hadden we rechtse regeringen (Lubbers I en II) die vonden dat er stevig bezuinigd moest worden. De tegenstelling tussen links en rechts toen was veel heftiger dan nu en er was veel sociale onrust maar het bleef hier toch allemaal betrekkelijk vreedzaam, met wat demonstraties op het Malieveld.
De kroningsrellen in Amsterdam in 1980 waren een uitzondering, maar die werden werden veroorzaakt door een kleine minderheid van militante krakers ('geen woning, geen kroning') en hun politieke doelen werden door slechts weinigen gedeeld.
Hoe anders was het in het Verenigd Koninkrijk. De conservatieven van Margaret Thatcher wonnen in 1979 de verkiezingen en zouden het land dramatisch gaan verbouwen. Er moest ook wel wat gebeuren, want het land zat diep in de ellende. Zo'n beetje de gehele industrie was genationaliseerd (voor de jonge lezertjes: overgenomen door de staat, zoals nu de banken) en die kon de internationale concurrentie nauwelijks aan. Wie zich de abominabele kwaliteit van een Austin Allegro of Austin Princess herinnert - producten van British Leyland - weet wat ik bedoel.
Maar Thatcher sloeg door. Om de industrie te kunnen privatiseren en ontmantelen en de overheid een kopje kleiner te kunnen maken ging ze de strijd aan met iedereen die zich daartegen verzette - vooral de vakbonden. De strijd was het hevigst met de National Union of Mineworkers van Arthur Scargill. Thatcher wilde de kolenmijnen sluiten en dat leidde in 1984/1985 tot landelijke stakingen. De strijd was heftig en gewelddadig - en Thatcher won. Er werden anti-vakbondswetten aangenomen die macht van de vakbonden voor eens en altijd braken.
Toen, als knulletje van begin twintig, viel het me op dat de tegenstellingen in het Verenigd Koninkrijk voor een deel dezelfde waren als die hier maar dat daar de strijd veel heftiger werd uitgevochten. Het ging niet alleen over verschil van inzicht over de samenleving, het ging om macht. Hier doen we een beetje besmuikt over macht, in Engeland werd er gewoon om geknokt. Het werd me duidelijk dat politiek niets anders is dan de strijd om de macht.
De vrije markt-denkers van Thatcher hebben die strijd gewonnen en dertig jaar later zien we wat dat heeft opgeleverd. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen industrie meer. De laatste autofabrikanten zijn failliet (TVR) of overgenomen door Aziaten (Lotus en Jaguar/Landrover) en Duitsers (Rolls-Royce en Bentley). De kolenmijnen zijn dicht terwijl de vraag naar kolen toeneemt, de olievelden op de Noordzee zijn leeg en nu de Britten nieuwe kerncentrales nodig hebben, komen ze erachter dat ze daarvoor Franse bedrijven moeten invliegen.
Het enige wat het Verenigd Koninkrijk aan Thatcher heeft overgehouden is een uit zijn krachten gegroeide bankensector en aanpalende 'service-industry'. Londen is welvarend, maar ga naar het noorden en je waant je in de derde wereld. In de arbeiderswijken in de oude industriesteden is er voor de gesloten fabrieken geen werk in de plaats gekomen.
En wat die ongereguleerde banken hebben veroorzaakt weten wij sinds 2008 nu allemaal.
De geschiedenis herhaalt zich. Opnieuw is in het Verenigd Koninkrijk een conservatieve regering aan de macht. Dertig jaar geleden werd de industrie gesloopt, nu zijn de restanten van de verzorgingsstaat aan de beurt. De gezondheidszorg wordt geprivatiseerd en uitkeringen worden geschrapt. De manier waarop dit gebeurt is schandalig: mensen die om wat voor reden niet goed kunnen meekomen in deze hypercompetetieve samenleving - bijvoorbeeld door een handicap, zwakke gezondheid of lage opleiding - worden stelselmatig weggezet als profiteurs en uitvreters. Het is hun eigen schuld dat ze niet succesvol zijn. Waarom moet de hardwerkende belastingbetaler daarvoor opdraaien? Nou, omdat als de hardwerkende belastingbetaler even niet oplet bij het oversteken in dezelfde positie kan komen - maar dat argument hoor je nooit.
Gelukkig is in het in Nederland allemaal niet zo extreem. Niet alleen is bij ons het politieke discours milder, bij ons zitten ook de sociaal-democraten van de PvdA in de regering en zij claimen sinds jaar en dag dat ze voor de zwakkeren in de samenleving opkomen. Hier dus geen verhoging van premies en eigen risico's, geen ontmanteling van het ontslagrecht, geen beperking van het zorgaanbod, geen sluiting van verpleeghuizen en geen afbraak van thuiszorg. Toch?
Ik denk dat het tijd wordt voor wat tegengeweld, voor een greep naar de macht.
vrijdag 5 april 2013
'Als jij straks naar Benissa gaat, ga ik naar Fréjus,' zei L.
De Marina Alta ken ik goed, omdat ik daar al bijna vijftien jaar vakantie vier, maar de jaren daarvoor bracht ik door aan de Côte d'Azur, en dat stukje Mediterrane kust ken ik dus ook best aardig.
'Ah,' zei ik. 'Dan heb ik misschien nog wel wat tips voor je.'
De Côte d'Azur werd begin jaren zeventig op mijn netvlies geëtst door de belevenissen van Roger Moore en Tony Curtis, die in de tv-serie The Persuaders daar allerlei geboefte bestreden. Het was de tijd van de 'jet set' en de heren reden daar rond in schitterende automobielen, dronken hippe drankjes in chique gelegenheden en waren omringd door - excusez - louter lekkere wijven. Enfin, kijk zelf maar.
Ik wist toen nog niet dat de lokale VVV met geld in de serie zat, en dat het tourisme en het pas aangelegde vliegveld van Nice gepromoot moesten worden. Maar toen ik in 1995 voor het eerst op Nice landde, was het een feest der herkenning. Alsof je zo de tv-serie inliep.
En Nice zelf is een heerlijke stad. Leuke winkels, fijne terrasjes en natuurlijk het Musée d'Art Moderne et d'Art Contemporain. Daar heb ik mijn liefde voor Yves Klein opgedaan, die ik nu in het Stedelijk gelukkig ook weer kan botvieren.
Yves Klein: L'accord bleu (detail).
Ik bivakkeerde echter niet in Fréjus, maar in Sainte-Maxime. Op een gegeven moment wist ik via-via het vakantiehuis van een Parijse professor te huren, en daar hebben we een aantal jaren prima vakantie gevierd.
Een roemruchte lunch met familie en vrienden.
Sainte-Maxime is een alleraardigst dorpje met leuke winkeltjes, prima restaurantjes en uitstekende terrassen. De keren dat ik met M. in Sainte-Maxime was hebben we vele uren op het terras van Le Wafou doorgebracht. Daar heb ik pastis leren drinken. En dan bedoel ik drínken.
Le Wafou in Sainte-Maxime.
En we maakten uitstapjes, naar Saint-Tropez, naar Grasse, naar Draguignan, naar Marseille. Ook Marseille bleek ik al te kennen, natuurlijk uit The French Connection. Helaas kon ik de gehele film niet op Youtube vinden, maar ook de trailer is de moeite waard:
Maar Marseille kende ik ook uit Astérix en Corse. De oude haven van Marseille is precies zoals Uderzo het tekende.
Helaas, Marseille is een vieze en criminele stad. Loop een straatje voorbij de oude haven en je bent in een sloppenwijk van Afrika. Niet fijn.
Zoals gezegd, de Côte d'Azur is inmiddels vervangen door de Marina Alta. Maar ik wil nog wel eens terug. Misschien heeft L. dan tips voor mij.
maandag 18 maart 2013
Ik leerde Alvin Lee kennen tijdens mijn kroegentochten met R. Zoals altijd waren we de avond begonnen in het HEBE-huis aan de Nieuwe Herengracht (R. bewoonde daar de tuinkamer, ook bekend als 'de grot') en daarna legden we bij Nam Kee op de Zeedijk een bodem - in mijn geval altijd gebakken import-bami met gemengd vlees. We hadden geen vaste kroegenroute, maar wel vaste aanlegpunten: The Last Waterhole, Pleinzicht op de Oudezijds en Maloe Melo op de Lijnbaansgracht. Korsakoff, een paar deuren verder, vonden we een beetje te tam. Dit is Maloe Melo:
In Maloe Melo speelden bandjes van wisselende kwaliteit. Die avond niet, maar door de luidsprekers denderde een prettig stampende bluesrock. Ik vroeg aan Jur: 'Wat is dat?' Hij legde de ceedee op de bar: About Time van Ten Years After.
We luisterden naar Let's Shake It Up:
Zo leerde ik Alvin Lee kennen, een van de beste gitaristen ooit. About Time (1989) was het laatste album waarop hij met Ten Years After zou spelen, daarna ging hij solo. De groep had echter al een lange carrière achter zich. Ze waren in 1969 doorgebroken, na een fantastisch optreden op Woodstock. I'm going home is legendarisch:
En nu is hij dood. Hij stierf op 6 maart, 68 jaar oud.
zondag 10 maart 2013
Nu heb ik ze alle vier bezocht, in het Okura: Teppanyaki-restaurant Sazanka, Ciel Bleu, de klassieke Japanner Yamazato en dan nu eindelijk ook het Serre Restaurant. Dat is ook pas drie jaar open. E. en ik zijn een beetje uitgekeken op het voer van het Concertgebouw Café. Het eten is niet slecht maar ook niet echt goed; aldaar afspreken voorafgaand aan een concert is vooral praktisch. Maar omdat het gisteren zaterdag was en we ons dus niet van werk naar concert hoefden te haasten, besloten we de tijd te nemen en bij het Serre Restaurant te gaan eten.
Helaas was het rukweer, want de Serre is gewoon een heerlijke plek aan het water. 's Zomers moet het er fantastisch zijn. Dat ga ik zeker nog eens proberen, want je eet in de Serre uitstekend voor een zeer schappelijke prijs. De gerechten zijn geïnspireerd door de producten van grote broer Ciel Bleu (twee Michelinsterren) en dat levert Serre een Bib Gourmand op. En terecht.
Fish & Chips Serre-style. Inderdaad geserveerd in/op een krant. Natuurlijk wel de Wall Street Journal.
De Straffe Hendrik na afloop was bijna teveel van het goede. Ik was erg aan mijn bed toe.
maandag 4 maart 2013
Het was geen goeie zondag.
Het begon met Lodewijk Asscher. Die zat 's morgens bij Eva Jinek op de bank en zei wat betreft de bezuinigingen overal over te willen praten. Daarmee gaf hij aan dat het terugdringen van het begrotingstekort voor hem prioriteit heeft, ongeacht welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Je zou van willekeurig welke politicus verwachten dat hij deze ambitie koppelt aan een visie op de samenleving, maar daar is bij Asscher geen sprake van. Hij is alleen geïnteresseerd in het begrotingstekort.
Vervolgens mocht Sybrand Buma aanschuiven in Buitenhof. Buma stelde op geen enkele manier nut en noodzaak van een begrotingstekort van maximaal drie procent aan de orde, hij beschouwde dat als een gegeven. Hij zei met het kabinet overal over te willen praten om die doelstelling te behalen. Hoe dat maakte niet uit, als de mensen maar weer 'meer vertrouwen' zouden krijgen. Waar dat vertrouwen op gebaseerd moest zijn, liet hij onbenoemd.
Tegenover Buma zat Emile Roemer. Een verademing. Roemer had als enige de economie-handboeken gelezen en kon helder uitleggen wat een 'fiscal multiplier' is en waarom dus de economie 'kapot bezuinigd' wordt. Ook begreep hij dat inkomenszekerheid de enige manier is waarop mensen vertrouwen krijgen, uitgaven durven doen en de economie weer kan groeien - waardoor het begrotingstekort daalt.
Maar het dieptepunt van de zondag was natuurlijk Diederik Samsom. Hij mocht 's avonds in Oog in Oog aan Sven Kockelmann verantwoording afleggen over zijn politieke keuzes. Het werd een afgang. Samsom heeft de economie-handboeken niet gelezen en kan dus niet beargumenteren waarom het begrotingstekort maar drie procent mag zijn. In plaats daarvan debiteerde hij allerlei onzin, met onderstaande valse argumentatie als kers op de taart.
Samsom beweert dat de nullijn in de zorg is nodig om banen in de zorg te scheppen; zonder die nullijn vallen er ontslagen. Hij suggereert hiermee dat er een loonoffer nodig is om de arbeidsmarkt in de zorg te laten functioneren. De waarheid is dat het kabinetsbeleid eerst honderdduizend ontslagen poetshulpen oplevert, die volgens Samsom hun baan misschien kunnen houden als hun verzorgende en verplegende collega's op een houtje gaan bijten. Als Samsom de vacatures in de zorg wil vervullen met gekwalificeerd en gemotiveerd personeel, moeten de lonen juist omhoog.
Zoals ik al eerder betoogde, Samsom heeft geen idee waarom hij aan dit kabinet deelneemt. Kockelmann confronteerde Samsom met al zijn campagnebeloften, en onze Diederik kon op geen enkele manier duidelijk maken hoe die campagnebeloften kabinetsbeleid zijn geworden. De conclusie: op geen enkele wijze.
Tot slot op deze zondag mocht partijchef Bram van Ojik op een congres zijn mede-GroenLinksers toespreken. Laat ik even Maurice de Hond spelen en een voorspelling doen voor de komende Tweede Kamer-verkiezingen: GroenLinks, nul zetels.
Van Ojik heeft ongetwijfeld veel kwaliteiten maar ontbeert de uitstraling van een lijsttrekker. Dat moet dus iemand anders worden. Maar ook trapt Van Ojik in dezelfde politieke valkuil die Jolande Sap het leven kostte: hij wil meedoen met de grote jongens en dus ook hij ambieert een begrotingstekort van maximaal drie procent. Ook hij heeft geen economie-handboeken gelezen.
Voor hem pleit dan nog wel dat hij aan het bereiken van die doelstelling voorwaarden verbindt: vergroening van de economie en het belastingstelsel, een werkeloosheid van maximaal drie procent en zo meer. Maar vervolgens gaf hij ook aan dat hij wel met Dijsselbloem wil praten over extra bezuinigingen en lastenverzwaringen. Hij benoemde alvast wat wisselgeld: geen JSF en laat bij Amelisweerd wat bomen staan.
Dat wordt dus niks. Als Brammetje zich met zulk klein bier laat wegsturen, dan verdient GroenLinks niet beter.