zaterdag 25 augustus 2012

In een vorig stukje schetste ik de beelden en gedachtengangen die het roken van een pijp in mij oproepen. Veel langer geleden schreef ik al eens hoe ik daadwerkelijk aan de pijp geraakte. Maar welk beeld had ik toen van de pijproker? En hoe wilde ik dat de anderen de pijproker - mij - zagen?
Rolmodellen waren daarin belangrijk, maar ook de reclamejongens speelden een rol. Zij koppelden beelden en emoties aan hun producten en wisten je er al dan niet onbewust van te overtuigen dat als je hun product gebruikte, je transformeerde tot iemand anders, een beter en interessanter persoon.

Voor de jongere lezertjes: ik ga het nu over tabaksreclame hebben. Vroeger, toen roken nog gezond was, mocht overal voor tabak worden geadverteerd. Bij sportwedstrijden, in de bioscoop en op televisie. Op studentenfeestjes werden door mooie promomeisjes gratis sigaretten uitgedeeld. Dat waren nog eens tijden.

De sigarettenindustrie had de grootste reclamebudgetten en ieder merk creëerde een eigen imago. Wie een Camel opstak werd een stoere avonturier in de jungle. Met een Belinda werd je een hippe girl. Van Marlboro een ruige cowboy. Een Gauloise gaf je een intellectueel cachet.
Ook de sigarenjongens konden er wat van. Met de kreet 'Misschien een tikkeltje te wild, amigo?' bracht La Paz zijn wilde havanna's aan de man, wat bij nadere beschouwing gewoon onafgewerkte sigaren van slechte kwaliteit zijn.

Maar ook de fabrikanten van pijptabak wisten hoe ze hun spullen moesten slijten. Zo werd pijproken gekoppeld aan het stoere militaire leven, getuige deze advertentie van Barneys.


Ook als het stoere militaire leven een ongewenste uitkomst had, bood de pijp, en niet alleen de pijp, troost.

Dat vrouwen pijprokende mannen verkiezen boven alle andere is een gegeven. Ik kan erover meepraten.

De geur van goede tabakken weet in het vrouwvolk echter vreemde en enigszins ongewenste verlangens op te wekken.

Gelukkig laten pijprokers zich door dit alles niet afleiden. Wat Kipling zei over sigaren, geldt ook voor de pijp.

woensdag 22 augustus 2012

Ik ben Europeaan. En nee, dit is geen verhaal over de verkiezingen en het belang van Europa. Geen politiek in dit stukje. Geen actuele politiek althans.

Zoals u weet heb ik een enigszins archaïsch, Eurocentrisch wereldbeeld. U kent mijn opvatting dat dekolonisatie de grootste misser uit de geschiedenis is geweest. Deze begon met het verlies door Engeland van de koloniën in de nieuwe wereld en eindigde na de Tweede Wereldoorlog met een algehele terugtrekking door de Europese staten uit Azië en Afrika.
Het heeft die goede mensen daar niets opgeleverd. Nu hebben ze honger, zuchten ze onder corruptie, lijden ze onder dictators en slaan ze elkaar om niets de hersens in. De enige vooruitgang is dat ze over moderne wapens beschikken, uit Europese fabrieken uiteraard. Onder ons mentorschap daarentegen zouden deze volken zich in hun eigen tempo hebben kunnen ontwikkelen tot volwaardige leden van de wereldgemeenschap. U merkt, ik draag The white man's burden van Kipling.

Ik geef toe, de koloniën in Amerika zijn dan wel uiteindelijk economisch zelfstandig geworden maar maatschappelijk zijn de Verenigde Staten blijven hangen in het koloniale tijdperk. Het beste bewijs daarvoor is dat ze elkaar daar nog altijd om de haverklap overhoop schieten omdat iedereen gewapend rond loopt. Ook cultureel gezien is men daar infantiel gebleven: meuk uit Hollywood wordt het hoogst gewaardeerd. En de culinaire Olympus wordt ingenomen door een klef broodje gemalen koe van MacDonalds.

Echt slecht gaat het natuurlijk in Afrika, want dat continent is de privé-speeltuin van de vier ruiters van de Apocalyps. Een navrant voorbeeld is Rhodesië. Toen dat land in 1965 onafhankelijk werd leek de dekolonisatie daar aanvankelijk wèl succesvol te verlopen. Onder leiding van de (voor de goede orde: democratisch gekozen) regering van Ian Smith ontwikkelde Rhodesië zich tot de graanschuur van Afrika. Het mocht niet lang duren: na een terroristische campagne grepen misdadiger Mugabe en zijn trawanten in 1980 de macht. Iedereen die het nieuws ook maar een beetje volgt weet hoe slecht het nu in Zimbabwe gaat.

Maar hoe kom ik aan dat Eurocentrische wereldbeeld? Ik ben niet in alle opzichten even modern en inderdaad waren veel dingen vroeger beter, maar toch ... het zette mij aan het denken.
Ik realiseerde mij dat er een verband is met mijn tabaksgebruik. Dat wat ik in mijn pijp stop, bepaalt mijn denken. (Wat weer iets anders is dan de effecten van een pretsigaret.) Om nauwkeuriger te zijn: de herkomst van de tabak is koloniaal bepaald. Studie van de tabak is studie van de koloniale handel, en zo betreed je een wereld die in een aantal opzichten beter was dan de huidige.

Ons Indië was niet alleen een rijke bron van specerijen, ook werd er veel tabak verbouwd, op Sumatra en op Java. Java- en vooral Sumatra-tabak zijn zeer geschikt voor sigaren en er is in Nederland dan ook een omvangrijke sigarenindustrie op die import uit de Oost ontstaan. Daar is nu niet veel meer van over: alleen de beroemde Sumatra-sigaren van de hoofdstedelijke sigarenhandel Hajenius roepen nog herinneringen op aan deze glorieuze tijd.

Nu ik dit schrijf, bedenk ik dat ik eerst iets moet uitleggen. Er is maar één soort tabaksplant, de Nicotiana Tabacum. Maar de omstandigheden waaronder de plant wordt gekweekt bepalen in grote mate hoe de plant groeit en hoe de tabaksbladen zich ontwikkelen. Klimaat, grondsoort en hoogte boven de zeespiegel zijn belangrijke factoren. Een plantje dat in Sumatra opgroeit smaakt heel anders dan een plantje dat in Louisiana tot wasdom komt.
Vervolgens zijn ook de manier van oogsten en lokale bewerking van tabak bepalend voor het eindproduct. Zoals ik eerder al schreef, wordt Latakia-tabak uit Syrië (en van Cyprus) gedroogd boven vuurtjes van kamelenmest, maar wordt Virginia-tabak aan de lucht gedroogd en ligt Xanthi gewoon in de Griekse zon.
Zo heeft iedere regio tabak met eigen smaak en eigen geur. En vergis u niet, er wordt op heel veel plaatsen tabak gekweekt. Zelfs Wageningen had tot na de Tweede Wereldoorlog tabaksvelden.

Terug naar Ons Indië. De eigen import uit Sumatra en Java verklaart waarom Nederlanders wel goed in sigaren maar niet in pijptabak waren. De tabak uit onze koloniën was daar gewoon niet geschikt voor.
Tabaksteelt op Sumatra in de jaren dertig.
De Engelsen hadden meer geluk in het uitzoeken van hun koloniën. Zij kozen de nieuwe wereld, de oorsprong van de tabaksplant. Virginia, Kentucky, Maryland: allemaal staten die hun naam hebben gegeven aan tabakssoorten. En uit Louisiana komt Perique. Het blijft dan ook eeuwig zonde dat we indertijd Nieuw-Nederland hebben verloren aan de Engelsen, want wat zouden we een fantastische tabak daarvandaan hebben kunnen halen. Bij de Vrede van Breda in 1667 gaven we onze rechten op Nieuw-Nederland en Nieuw-Amsterdam op; in ruil kregen we Suriname. Misschien heeft onze koloniale rot toen al ingezet.
Tabaksveld in Kentucky.
Maar ik dwaal af. De Engelsen wisten de hand te leggen op grote, tabaksproducerende koloniën, in de nieuwe wereld en elders. Zo was Rhodesië niet alleen de graanschuur van Afrika, ook werd er in grote hoeveelheden een voor de sigarettenindustrie zeer geschikte variant van de Virginia-tabak gekweekt. En wat Engelsen niet door rechtstreekse import uit hun koloniën wisten te betrekken, verwierven ze wel door hun handelsgeest.
Tabaksveiling Salisbury (tegenwoordig Harare, ZImbabwe).
Op deze manier kwamen de ingrediënten bij elkaar voor wat de 'English Mixtures' zijn gaan heten: pijptabaksmengels uit Virginia-tabak, al dan niet aangevuld met Latakia- en Oriëntaalse tabak. Over dit laatste moet ik nog even uitwijden: Oriëntaalse tabak is een verzamelnaam voor een groep tabakssoorten uit Macedonië, Griekenland en Turkije. Ze zijn de smaakmakers van de 'English Mixtures' die om die reden ook wel met 'Balkan' of 'Oriental' worden aangeduid.

En dat stop ik dus in mijn pijp. Is het gek dat als de rook langzaam omhoog kringelt en mijn woonkamer zich vult met exotische geuren, ik me verlies in bespiegelingen over ons rijke koloniale verleden, toen de wereld nog eenvoudig en overzichtelijk was? Gelukkig worden er vandaag de dag nog altijd tientallen soorten 'English Mixtures' gemaakt, meestal door toegewijde, kleine fabrikanten. Die vaak in de Verenigde Staten, Denemarken of Duitsland blijken te zitten. Dat is dan wel weer jammer.

zondag 5 augustus 2012

Als pijproker ben ik in goed gezelschap. Een rondje internet levert een keur aan bekende en minder bekende pijprokers op. Ik stel u een aantal van mijn favorieten voor.

A.A. Milne (1882 - 1956), vader van Winnie-the-Pooh.

Joseph Stalin (1878 - 1953), het meest succesvolle staatshoofd van de Sovjet-Unie. Als goed communist gaf hij de voorkeur aan peperdure Engelse Dunhill-pijpen.

Evelyn Waugh (1903 - 1966) schonk ons Brideshead Revisited.

Bertrand Russel (1872 - 1970), de ontdekker van Ludwig Wittgenstein.

Hunter S. Thompson (1937 - 2005) vond Gonzo-journalism uit en schreef Fear and loathing in Las Vegas. Pijproken was slechts een van zijn vele liefhebberijen.

J. Robert Oppenheimer (1904 - 1967), de vader van de atoombom.

Laurie Lee (1904 - 1997), schrijver van een van de allerbeste reisboeken: As I Walked Out One Midsummer Morning.

Jean-Paul Sartre (1905 - 1980).

Erwin Schrödinger (1887 - 1961), natuurkundige. Van het geniale gedachtenexperiment Schrödingers kat.

Stephen Fry (1957). Ik noem alleen Blackadder.

Tom Crean (1877 - 1938), held van vele Zuidpool-expedities.

Tony Benn (1925), Labour-politicus en schrijver van heerlijke politieke dagboeken.

Sir Arthur Conan Doyle (1859 - 1930), geestelijk vader van Sherlock Holmes.

Jeremy Brett (1933 - 1995), de beste vertolker van The Great Detective.

U mist Prins Bernard, Harry Mulisch en Raph Inbar. Inderdaad.

donderdag 2 augustus 2012

Het Midden-Oosten is een puinhoop en dat raakt mij. Joden en Palestijnen staan elkaar naar het leven, Irak is een 'failed state', Libanon is weer onrustig en in Syrië is een burgeroorlog uitgebroken.
U hebt mij nooit kunnen betrappen op een teveel aan empathisch vermogen. Natuurlijk voel ik mee met de ellende van de mensen daar en hoop ik dat het geweld vandaag nog stopt. Maar het geweld in het Midden-Oosten raakt mij vooral omdat het de export hindert.

Het is, net als zoveel in deze wereld, de schuld van de Fransen en de Britten. Vooral van de Britten. In 1915 vond de Britse High Commissioner in Egypte, Sir Henry McMahon, het nodig om aan de sjarif van Mekka te beloven dat de Arabieren na het opheffen van het Ottomaanse Rijk zelfstandig mochten worden. De diplomaten Sir Mark Sykes en François Georges-Picot trokken zich daar niks van aan en verdeelden in 1916 het Midden-Oosten tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Daarbovenop kwam in 1917 de brief van de Britse Foreign Secretary Arthur Balfour (aan Baron Rothschild) waarin hij de Joden het recht toekende om zich in Palestina te vestigen. Hoe zich dat moest verhouden tot de rechten van de toenmalige bewoners werd niet helemaal duidelijk.

Veel van de ellende in het Midden-Oosten is natuurlijk toe te schrijven T.E. Lawrence. Ook hij beloofde de Arabieren onafhankelijkheid, in ruil voor hun steun in de gevechten tegen de Turken tussen 1916 en 1918. Lawrence schreef daarover The Seven Pillars of Wisdom, een magistraal boek dat iedereen gelezen moet hebben. Lawrence had overigens zo zijn eigen ideeën over een na-oorlogse indeling van het Midden-Oosten.
Het Midden-Oosten volgens Lawrence of Arabia.


Het Midden-Oosten is sindsdien een rokende puinhoop van claim en contra-claim geworden door mensen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en onvoldoende beschaving hebben om hun verschillen van mening uit te praten en daarom in plaats daarvan naar de Kalashnikov grijpen. Mijn stelling dat dekolonisatie de grootste vergissing van de twintigste eeuw is, blijft hiermee dus fier overeind. Onder leiding van wijze West-Europeanen was het in het Midden-Oosten rustig en de aardolie van ons en goedkoop gebleven.

Maar het is niet het menselijk lijden of de hoge aardolieprijs dat mij nu zorgen baart. Ik ben bang dat door de burgeroorlog de tabaksproductie en - export in Syrië vernietigd wordt. Zoals u weet stop ik vooral 'English Mixtures' (ook wel 'Balkan Mixtures' genoemd maar dat bewaar ik voor een volgend geopolitiek -historisch logje) in mijn pijp en Latakia-tabak is een onmisbaar onderdeel daarvan. Deze tabak ontleent zijn karakteristieke rokerige smaak aan droging op vuurtjes van kamelenmest.
Latakia-tabak bij Samuel Gawith & Co.
De beste Latakia-tabak komt uit Syrië, uit de omgeving van het havenstadje - nomen est omen - Latakia. Ook op Cyprus wordt Latakia gekweekt maar deze is van mindere kwaliteit, want iets scherper, iets minder 'mellow'. Misschien schijten de kamelen daar anders.

Gelukkig zijn er nog altijd tabaksfabrikanten die voor hun producten op een of andere manier de hand weten te leggen op Syrische Latakia, zoals McClelland voor hun fantastische Three Oaks. Hebben ze een voorraad of smokkelen ze het spul via een geheime route naar het westen? Ik weet het niet. Ik hoef het ook niet te weten, zolang het spul maar leverbaar blijft.
Three Oaks van McClelland in mijn Rattray's billiard.

maandag 30 juli 2012

Het Muziekgebouw aan 't IJ heeft het beste uitzicht van Amsterdam. Je kijkt uit over het water naar het Centraal Station, naar Overhoeks en verder naar Noord, tot aan de Hemcentrale. Het licht en het water zijn altijd anders, en er is altijd wat te doen. Bootjes kijken is net zo leuk als mensen kijken.
Het is daarom ook een fantastische locatie voor een terras. En dat ligt er ook. Het Muziekgebouw baat de horeca onderin het gebouw - café-restaurant met dat grote terras - niet zelf uit. In het verleden zat daar Star Ferry, tegenwoordig Zouthaven. Star Ferry had een ongecompliceerde kaart en ik heb er een aantal keer prima geluncht. Maar Star Ferry heeft het niet gered, en ik vrees ook voor Zouthaven. De locatie heeft namelijk een probleem, en dat is ... de locatie.
Bootjes kijken.
Het Muziekgebouw aan 't IJ zit niet 'in de loop'. In tegenstelling tot de culturele instellingen in binnenstad kom je er niet toevallig langs en wandel je even binnen. Je moet er naar toe. Begrijp me niet verkeerd, het Muziekgebouw is uitstekend bereikbaar. Tram 26 stopt voor de deur en parkeren kan in de eigen garage. Maar het Muziekgebouw is een bewuste bestemming en geen oprisping.
Dit geldt daarmee ook voor de in het Muziekgebouw gevestigde horeca. Die moet het hebben van gasten die in het Muziekgebouw iets te doen hebben en een bezoekje meepikken of van gasten die voor de horeca zelf komen. Ik weet niet welk deel van de omzet van Zouthaven wordt gegenereerd door bezoekers aan het Muziekgebouw maar het is nooit genoeg om van te leven - al was het maar omdat er 's zomers geen concerten zijn. Zouthaven moet dus ook op eigen kracht genoeg gasten trekken en ik vraag me af of dat lukt. Star Ferry ging tenonder.
Uitzicht Zouthaven
Het mooiste uitzicht van Amsterdam?


Zouthaven positioneert zich als visrestaurant. We hebben in Amsterdam al een aantal uitstekende visrestaurants (Visaandeschelde, de Oesterbar, Lucius) en restaurants waar je uitstekend vis kunt eten (Yamazato en vele anderen) en dan zal je je ergens mee moeten onderscheiden. De kaart is echter klein. Ik heb er in de afgelopen zomerse weken in diverse gezelschappen een aantal keer gegeten (vooral vanwege dat terras) en de kwaliteit varieerde van niet best (kreeft) tot erg lekker (gebakken makreel). Ik heb het idee dat er niet permanent een chef in de keuken staat, maar dat lager gekwalificeerd personeel volgens een instructieboekje werkt. Formule-koken dus. En dat gaat dus niet altijd goed.
De bediening is rommelig maar vriendelijk en naar Amsterdamse begrippen behoorlijk goed. Maar ook zij laten steken vallen. Een espressootje blijft te lang binnen staan en arriveert lauw en met ingestorte crema op het terras. Dan heeft het geen zin om Illy te voeren en kan je beter Moccona schenken. Dat blijft langer heet.
De kreeft valt tegen.
Als Zouthaven zich als visrestaurant wil handhaven moet er een aantal dingen gebeuren. De kaart moet spannender en de kwaliteit van de witte en de zwarte brigade moet flink omhoog. Ook de wijn- en drankkaart kan spannender; er is geen fatsoenlijk glas gedestilleerd te krijgen. En zet de wijn- en drankkaart op de website!

Het treurige voor uitbaters van de locatie is dat zij niet absoluut noodzakelijk zijn om van het uitzicht te genieten. Ook zonder horeca valt er genoeg te beleven en met een picknickmand en koelbox kom je een een heel eind. Maar ik gun het Zouthaven dat ze het redden. Ik kom van de zomer nog wel een paar keer langs.

woensdag 18 juli 2012

Tekst maken doe ik op een computer. Ik heb geen heimwee naar de schrijfmachine en het flesje witkalk, hoewel de foto boven dit logje misschien anders doet vermoeden. Tekstverwerking en internettoegang hebben mijn vak enorm veel makkelijker gemaakt. Maar tekst lezen van een computerscherm doe ik nog steeds niet graag en zeker niet als het om langere tekst gaat. Ook de finale versie van een eigen tekst lees ik op papier na, met een pen in de hand. Een vulpen natuurlijk.
U zult mij dan ook nooit met een e-reader aantreffen, hoe goed de kwaliteit van het beeldscherm ook zal worden. Dat heeft niet alleen te maken met mijn hekel aan schermlezen en dat ik al teveel spullen heb die op tijd opgeladen moeten worden. Ook het feit dat Amazon het gepresteerd heeft om een boek, dat al duizenden keren was verkocht, te wissen van alle e-readers waarop het was gedownload - er was geloof ik iets met auteursrecht - verontrust mij. Alsof de Bruna bij je inbreekt en een greep in je boekenkast doet. Affreus. Dit is Big Brother en raakt aan de vrijheid van drukpers: een bedrijf of de staat breekt in op je computer en verwijdert wat je niet mag lezen. Dat is bij een gedrukt en fysiek verspreid boek gelukkig een stuk moeilijker.

Nieuws via het internet vind ik eigenlijk ook niks. Het is makkelijk en snel en dat is het dan ook wel. Neem nu.nl: een handig overzicht van actuele gebeurtenissen maar ook niet meer dan dat. Je kan door een selectie te maken van goede (meestal buitenlandse) nieuwssites voor jezelf een heel behoorlijk nieuwsaanbod creëren maar dat is best veel werk en dan zit je toch weer een tijd achter dat nare beeldscherm.
Gelukkig is hier al sinds jaar en dag een oplossing voor: de krant.

Kranten lezen heb ik van huis uit meegekregen. Eerst het Haarlemsch Dagblad en na een verhuizing werd dat het Utrechts Nieuwsblad. Een aantal jaren was ik abonnementsloos maar toen ik in Amsterdam ging wonen nam ik meteen een abonnement op het Parool. Later kwam daar het NRC Handelsblad bij.
Krantenredeacties selecteren nieuws, zoeken nieuws op, maken nieuws. Ze duiden het nieuws, plaatsen het in context en geven achtergronden. Als ik het Parool uit heb, weet ik wat er in Amsterdam is gebeurd en weet ik ook dat ik niets van belang heb gemist. Ik heb het nieuws dat ik interessant vind het eerst gelezen en ik heb door de krant gegrasduind naar andere dingen van mijn gading. Ik kwam ook onderwerpen tegen waarnaar ik niet op zoek was, maar die toch de moeite waard bleken om over te lezen. Ik kan de krant lezen waar en wanneer ik wil. Ik kan er koffie of whiskey over knoeien en as op morsen en dat alles zonder batterijen. En iedere dag ligt er een vers exemplaar in de bus.

Het Parool is ijzersterk in Amsterdams nieuws en dus verplichte kost voor iedere Amsterdammer. Binnen- en buitenlands nieuws doen ze echter enigszins plichtmatig. Als je echt iets wilt weten moet je elders zijn. Dat elders was voor mij jarenlang NRC Handelsblad.
Inderdaad: was. Ik heb net de envelop dichtgelikt met daarin mijn abonnementsopzegging. Ik ben helemaal klaar met die krant. Al jaren zie ik dat de kwaliteit terugloopt, maar nu is het dieptepunt bereikt: een kop met 'prijzen ... steeds duurder'. Ik weet niet eens meer waarvan de prijzen gestegen zijn.
Een incidentele miskleun van een koppenmaker is nog te vergeven, maar sinds Peter Vandermeersch hoofdredacteur is, is het verval echt ingezet. Wat voorbeelden:
- de krant opent met een 'analyse' in plaats van nieuws, en die 'analyse' is een open deur;
- te veel en te grote foto's en dus te weinig tekst;
- buitenlands nieuws: te weinig en van te lage kwalteit;
- te veel opinie van te lage kwaliteit (meninkjes van nobodies);
- het onzin-katern Lux.
De economie-pagina's, de wetenschapsbijlage, Youp en Fokke & Sukke zal ik missen.

Ik weet dat kranten het moeilijk hebben. De jeugd kan niet meer dan 140 tekens achter elkaar verteren, het opleidingsniveau van het volk is tot een historisch dieptepunt gedaald en adverteerders doen ook niet meer wat er van ze verwacht wordt. Maar er blijft een harde kern geïnteresseerde lezers bestaan, die bereid is even harde pegels voor een goede krant neer te leggen. Het Parool is dat gelukt. Waarom kan NRC Handelsblad dat niet?

Ik overweeg nu een abonnement op de International Herald Tribune.

vrijdag 6 juli 2012

Bijzonder Spaans is een van de leukste kooklogs. Didi presenteert heerlijke, maakbare gerechten en dat geeft mij de kans in Amsterdam te eten wat ik ook in Benissa eet. Daarnaast exploiteert Didi MADE-IN-SPAIN, een webwinkel met allemaal lekkers.

Een tijdje terug plaatste ze op haar Facebook-pagina een oproep: het zou leuk zijn als iemand een fotootje zou plaatsen van een gerecht afkomstig van Bijzonder Spaans. Het toeval wilde dat ik net haar Judiones con chorizo ging maken - erg lekker! - dus een kiekje was zo gemaakt. Twee dagen later deed ik het dunnetjes over met de Tomatitos y queso de cabra con hojaldre - ook niet te versmaden.
Judiones con chorizo.
Tomatitos y queso de cabra con hojaldre.
Ik was helemaal vergeten dat ze gezegd had dat ze onder de inzenders een pakketje aardigheden uit haar webshop zou verloten, totdat ik vorige week het verzoek kreeg even mijn adres door te geven. Ik was de uitverkorene!
Mijn humeur, dat al twee dagen zwart was wegens een continu 'uitklappende' internetverbinding, klaarde helemaal op toen de postbode vanochtend met het verrassingspakket op de stoep stond. Dat de goede man meteen ook een nieuwe stofzuiger kwam afleveren, was bijzaak.

Het was dus Sinterklaas in Huize Het Kopje. Didi had mij bedacht met gedroogde ñoras, gerookte jaranda paprika's, een flesje Torrevella Moscatel Reserva azijn (uit Alcoy, dus uit de buurt), een fraai schaaltje en drie soorten pimentón. Didi bedankt: daar ga ik de komende tijd eens lekker mee koken!

Sinterklaas in Huize Het Kopje.
En dankzij de firma Guidion, die mijn internetverbinding mores heeft geleerd, kon dit logje worden geplaatst. Het weekend kan beginnen.

zondag 1 juli 2012

Spaans crisisdagboek: 'Regreso al burro'

17 juni 
Ik vertrek niet om zes uur 's avonds maar pas om half negen. De geplande kist is stuk en er moet een nieuwe uit de hangar worden gesleept. Maar voltanken duurt toch geen twee-en-een-half uur? Gelukkig heb ik Marx bij me in de vorm van How to change the world van Eric Hobsbawm. Ik heb wel een suggestie.

Om elf uur ben ik eindelijk op vliegveld Alicante. De laatste jaren vloog ik altijd op Valencia, omdat Valencia een kleiner en prettiger vliegveld is, met een goede service. Het is meer ingesteld op de zakelijke reiziger dan op de hela-hola-toeristen die naar Benidorm gaan. Maar Transavia vond het nodig om de vlucht naar Valencia om half acht 's morgens te laten vertrekken en dat is me toch net iets te vroeg.
Het schijnt dat vliegveld Alicante de afgelopen jaren grondig is verbouwd maar omdat het al donker is zie ik er niet veel van. Wat ik wel zie zijn lege, naargeestige ruimtes. De verlichting is maar gedeeltelijk aan en de enige kleur komt van mijn gele Samsonite op de bagageband.
In de luchtbrug naar de parkeergarage ligt de noppenvloer over de gehele lengte los. De garage zelf is maar voor de helft in gebruik. Het gedeelte waar je niet mag komen is afgeschermd met kettinkjes en onverlicht. Er is ook geen bewegwijzering en het kost wat moeite om de uitgang te vinden.

19 juni
Voordat we bij Nancy (Carambano in Moraira) visjes gaan eten eerst even pinnen. Gezien het gedoe met de Spaanse banken moet je euro's uit de flappentap halen als het nog kan. Maar dat blijkt lastiger dan vroeger toen in iedere straat tenminste drie bankfilialen zaten, allemaal met een eigen betaalautomaat. De lokale banken - Cajas - zijn inmiddels allemaal gefuseerd tot één Bankia en die heeft veel minder kantoren nodig. De overbodige bankkantoren zijn gesloten en de ramen zijn dichtgeplakt. Overigens valt de leegstand verder mee.
Het is erg rustig in Moraira. Overal zijn lege parkeerplaatsen en ook de terrassen aan de boulevard zijn grotendeels leeg. Behalve bij Nancy, daar is nog maar een tafeltje vrij, en dat is voor ons.
Visjes bij Nancy.
's Middags hebben we werklui over de vloer. Miguel ontfermt zich over een weigerachtige halogeen plafondspot en Angel en Paco proberen de skimmers van het zwembad weer aan de gang te brengen.
Miguel vertelt dat er de laatste tijd veel meer straatprostitutie is. Geen Spaanse meisjes, maar Roemeense. 'Van Ceaușescu moesten ze allemaal vier kinderen krijgen en daar valt niets te verdienen. Maar waarom komen ze hierheen?'

Nog even boodschappen doen. Zoals bij alle Spaanse supermarkten staan ook bij de Mas y Mas eindeloze rijen sterke drank. Op de flessen Gordon's Gin zit een soort extra plastic dop - het lijkt op een soort promotie-actie. Het kassameisje trekt de plastic dop resoluut van de fles en gooit 'm in een prullenbak. 'Anders wordt het gejat.'
Maar waarom wordt alleen de Gordon's gejat, en niet de iets duurdere Beefeater Gin, of de veel duurdere whiskeys?

20 juni
Pepe de tuinman is druk aan het snoeien en met een blaasmachine in de weer. Maar het gras wordt niet gemaaid. 'Te kort.'
Hij bedoelt: het is te warm.

We hebben een lunchafspraak even voorbij Gata de Gorgos dus we nemen de N332 naar het noorden. Langs dat stuk weg staan veel ceramica's, met allemaal hetzelfde aanbod: bloempotten, schalen, tegels en nep-antieke standbeelden van beton. In de jaren negentig, toen de huizen als paddestoelen uit de grond schoten, deden ze goede zaken. Nu zijn de meesten wel open maar er zijn geen klanten en de koopwaar zit onder een laag stof.
Ook Gata de Gorgos is stoffig en leeg. Gata profileert zich als jaren als stad van de rietvlechters en dus staan de stoepen vol met gevlochten manden, stoelen, tafels en andere rotzooi. Het komt allemaal uit China. Ook hier ligt een laagje stof en er is geen kip op straat - op twee hooggehakte, langbenige en schaarsgeklede blondines na. Ik moet aan het verhaal van Miguel denken.

Cuadros is een pappa en mamma-tent met tien tafeltjes buiten en twintig binnen. Voor Spaanse begrippen is het wat vroeg voor de lunch en we zijn de enige gasten. Dat blijft zo. Het eten is uitstekend: salade, gegrillde groente en bloedworst.
Cuadros in Gata de Gorgos.
 Ook I. vertelt over de Roemenen: 'Die hebben hier gewerkt, gaan weer naar huis en nemen hun Tarjeta (Spaanse ziekenfondskaart) mee. Thuis laten ze dan van alles doen, zelfs complete verbouwingen. En van Europa moeten wij dat allemaal betalen.'
Gegrillde groente, chorizo en bloedworst bij Cuadros.

22 juni
Het gerucht gaat dat bij Conchi in Benissa de zaken slecht gaan. Het terras blijft leeg omdat de koffie niet meer te drinken zou zijn. Crisis? De meeste van mijn zegslieden kennen het verschil niet tussen ristretto en slootwater dus ik neem het allemaal met een korreltje zout. Eerst zelf maar eens proeven.
In Benissa is er niets veranderd, alleen een kroeg aan het plein schuin tegenover Conchi is verdwenen. Nu zit er een slagerij. Dat lijkt me geen achteruitgang.
Op het plein In Benissa is een kroeg vervangen door een slager.
Ik krijg drie dikke zoenen van Conchi's dochter Raquel. Ik moet even goed kijken: ze is iets breder geworden en heur haar is opeens erg kort. Ze is zo wel erg vierkant. De coupe is kennelijk nieuw want ze krijgt er van diverse gasten opmerkingen over. Zou echtgenoot Tony hier gelukkig mee zijn? Ze was vroeger erg lekker.
De café solo is gelukkig nog prima in orde. Het zou kunnen dat Conchi een andere melange heeft ingekocht, met een iets hoger robusta-gehalte, maar ik vind dat lekker. Trouwens, het terras zit vol. Twee tafels verderop drinkt Nachbarin Edith een kopje koffie met Paquita, de vroegere uitbaatster van de plaatselijke boekhandel.
Ik scoor nog een bakvorm van een model dat in Nederland niet te krijgen is en op het postkantoor ligt The communist hypothesis van Alain Badiou op me te wachten.

's Middags is de tuinman er weer, ditmaal om gif te spuiten. Ze hebben een benzine-aangedreven spuit met een grote tank op een soort van kruiwagen. Natuurlijk hebben ze geen maskers op. Ik ga snel naar binnen om de ramen dicht te doen, want de wolken stuiven door de tuin.

23 juni
Bij de koffie meldt J.: 'Het gaat hier echt slecht. Zometeen komen de Duitsers de snelwegen en al de andere dingen die met Europees geld zijn aangelegd er weer uit slopen. Dan kunnen we weer terug naar de ezel - regreso al burro.'

Langs de kustweg naar Moraira is toch nog een plekje gevonden om een aantal winkelpanden neer te zetten. Ze staan leeg.
Zoals gezegd valt de leegstand in Moraira me mee. Wat wel opvalt is dat het winkelaanbod op de boulevard eenzijdiger is geworden. Het is nu allemaal hetzelfde goedkope plastic strandspul. Ik verbeeld me dat er vroeger ook andere dingen werden verkocht, maar ik kan me niet herinneren wat.
Het kost ook nu - op zaterdag - geen moeite om vlak bij Nancy een parkeerplaats te vinden. Vroeger moest je drie rondjes rijden.

25 juni
Lunchafspraak met P. in Club Nautico. In de jachthaven ligt alleen maar wit plastic. Op een driedeks motorjacht na, dat heel voorzichtig komt binnenvaren, is er niet veel activiteit op het water. Club Nautico is goeddeels gevuld, hier geen crisis. Goed dat we gereserveerd hebben.
Club Nautico in Moraira.
De Arroz con Bogavante valt tegen. P. is stellig: 'Diepvrieskreeft. De volgende keer moeten we hem zelf aanwijzen.'
De rijst - een kruising tussen paella en risotto - is prima.
Arroz con Bogavante - diepvries.

26 juni
Voordat ik terugkeer naar Holland wil ik nog een keer bloedworst eten. We bellen met El Peón de Pinos voor een lunchreservering.
'We zijn dicht.'
Crisis!
'Nee hoor, we zijn op dinsdag niet open voor lunch, dat doen we pas in juli.'
Jammer, want ook El Peón heeft uitstekende bloedworst - en een schitterend uitzicht. We gaan dus nog een keer naar Cuadros.

Dit keer rijden we binnendoor naar Gata de Gorgos. Langs deze weg liggen diverse steengroeves en cementfabrieken. Vroeger hingen hier enorme stofwolken, maar nu ligt alles stil. De enige herinnering aan de economische hoogtijdagen is de laag stof die nog overal op ligt.
Bij Cuadros zijn we weer de enigen maar als we aan de koffie gaan komt er een Spaans echtpaar binnen. Ze gaan aan het tafeltje naast ons zitten en bestellen een complete maaltijd: voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht. Hij hult zich in een somber stilzwijgen, zij spreekt slechts een paar afgemeten zinnen. Wij verlaten de zaak als hun voorgerecht wordt gebracht. Ik hoor nog net dat zij zich verexcuseert om naar het toilet te gaan.
We zijn even bezig met inladen en ander gedoe met auto's maar als we de parkeerplaats af rijden zien we haar lopen: in haar eentje, langs de weg in de richting van Gata. Hoe lang zou het duren voordat hij door heeft dat hij is achtergelaten?

Op de terugweg stoppen we nog even bij de Pepe la Sal. Niet alleen heeft 'de Pepe' een groot assortiment Spaanse producten, ook wordt de internationale expat-gemeenschap goed bediend. De nieuwste aanwinsten voor de Hollanders zijn zuivel van het Albert Heijn-huismerk en siropen van Euro Shopper.

27 juni
De lunchafspraak met M. en J. gaat niet door. Ha, dan kunnen we alsnog naar El Peón de Pinos!
Pinos is een handvol huizen in de heuvels achter Calpe. Het is een enorm geslinger bergop om er te komen en je moet hopen dat je geen andere auto tegenkomt. Maar het eten en het uitzicht maken het de moeite waard.
Uitzicht op de Ifach vanaf El Peón de Pinos.
Paco was vroeger gerant in de kroeg naast Conchi, op het plein in Benissa. Nu runt hij El Peón met z'n ouders. Pa heb ik nooit gezien, ma staat in de keuken en Paco doet de bediening. Maar vandaag doet een meisje het terras en Paco komt maar af en toe naar buiten. Gaat het goed? 'Mijn ouders zijn een weekje op vakantie: een busreis naar Zwitserland.'
Daar hadden we bij Conchi ook al iets over gehoord. Het lijkt dat de helft van Benissa op leeftijd in die bus naar de bergen zit.
Maar dan is het eindelijk tijd voor de grote bloedworstvergelijkingstest: Cuadros versus El Peón. Ik zal er kort over zijn: ze zijn allebei heerlijk, alleen is de bloedworst van Cuadros grover van structuur. Ik weet dat Cuadros zijn bloedworst bij een slager in Jalón betrekt; ik moet toch eens uitvinden of Paco een adresje dichter bij huis heeft.
Gegrillde groente en bloedworst en andere dode beesten bij El Peón de Pinos.
's Middags heb ik een Facetime-gesprek met nichtje J. Ze ziet het meteen. 'Oom Eric is in Spanje!'

28 juni
Vandaag zie ik vliegveld Alicante bij daglicht. Het lijkt inderdaad niet meer op vroeger. Er is een grote en grijze vertrekhal, veel te groot voor het aantal passagiers. Een duidelijke structuur ontbreekt. Achter de douane is het niet veel beter. De baguettes en de koffie zijn slap.
Volgende keer weer Valencia.
De culinaire woestenij op vliegveld Alicante.

PS
(Uit)gelezen boeken: How to change the world van Eric Hobsbawm, de Argonautica van Apollonius Rhodius, Trotsky, the prophet armed van Isaac Deutscher, Essays in Persuasion van John Maynard Keynes en The Great Sea van David Abulafia.

maandag 11 juni 2012

Mijn drankkast is een wat onhandig diepe hoekkast. Het werd weer eens tijd om alles eruit te halen, af te stoffen en te inventariseren. Oh, om misverstanden te voorkomen: wijn bewaar ik elders. Wijn is geen drank maar een eerste levensbehoefte. En champagne ligt in de ijskast en Linie Aquavit in de vriezer.

Dit was de inhoud van de kast:
- drie flessen port, waarvan twee aangebroken;
- twee flessen Pedro Ximénez, waarvan een aangebroken;
- een fles Moscatel de Teulada;
- een fles Amalfi limoncello (halfvol);
- een fles amaretto (halfvol);
- een fles Cointreau (halfvol);
- drie flessen grappa, waarvan twee aangebroken;
- vier flessen orujo waarvan een aangebroken (en de fles die nu op tafel staat niet meegeteld);
- drie flessen marc (aangebroken);
- een fles framboise;
- drie flessen cognac waaronder een magnum Rémy Martin (aangebroken);
- een fles Osborne brandy (bijna op);
- drie flessen whiskey - de Bowmore is bijna op, de Lagavulin en Ballantine's nog niet aangebroken;
- twee flessen Campari, waarvan een halfvol;
- twee flessen wodka, waarvan een halfvol;
- een fles gin (een restje);
- een fles Ricard (bijna leeg);
- een fles Spaanse anis (bijna vol);
- een fles Ketel 1 (vol);
- een fles Boomsma Beerenburger (halfvol)
- een fles Doppel Korn (vol);
- een fles mezcal (met worm, vol).

Ook kwam er nog een halfvolle fles Essacher Luft naar voren. Bijzonder, niet omdat ik het spul had - ooit een keer van R. gekregen - maar omdat het een werkelijk ontiegelijk smerig Duits kruidenbittertje is. Echt. Niet te hachelen. Maar wie heeft die fles dan half leeggedronken?

Verder vind ik het enigszins verontrustend dat ik een flinke voorraad drank in huis heb, en dat het meer is dan ik mij herinnerde. Korsakov?

zondag 3 juni 2012

De dood van Dietrich Fischer-Dieskau zette mij aan het denken. Waarom ben ik ooit naar hem gaan luisteren? Hoe ben ik met Lieder in aanraking gekomen? Stephen Fry had eenzelfde vraag en schreef er een sentimenteel blogje over. Dat ga ik nu ook doen: hoe de klassieken tot mij kwamen.

Sommigen komen uit een familie met een rijke muzikale achtergrond. Daar wordt geluisterd, gespeeld en concerten bezocht. Klassieke muziek is daar vanzelfsprekend. Deze mensen mogen zich gelukkig prijzen. Zij hebben een enorme ontwikkelingsvoorsprong.

Bij ons thuis was het magertjes. Er stond een piano waarop af en toe door mijn moeder werd gespeeld en waarop mijn broertje nog een tijdje pianoles heeft gehad. Ook was er een lel van een elekrisch orgel (géén Hammond, helaas) door mijn vader in een van zijn vele opwellingen gekocht en nauwelijks bespeeld. En ik heb nog een tijdje aan een gitaar geplukt.
Als ik de platenkast van mijn ouders voor de geest probeer te halen komt er niet veel klassieke muziek boven. Alleen Tsjaikovski's Ouverture 1812. Op een singeltje. Verder vooral jaren zeventig easy-listening, zoals de Carpenters en de Ray Conniff Singers. Daar moest ik het dus niet van hebben.
Mijn broertje en ik zijn wel een keer meegenomen naar een klassiek concert in de Haarlemse Philharmonie. Ik kan me er niet veel van herinneren.

Natuurlijk ontwikkelde ik wel mijn eigen muzikale smaak, vooral onder de invloed van eerst de zeezenders Radio Veronica (Noordzee vond ik niks aan) en Mi Amigo (Baken 16! Terzijde: dat werd gepresenteerd door een Frank van der Mast. Ik kwam er onlangs achter dat dat toen het pseudoniem van Jan de Hoop van het RTL Ontbijtnieuws was.) en later werd Hilversum 3 invloedrijk: de Avondspits, Ferry Maats Soulshow en (meteen daarachteraan) de LP-show van Wim van Putten.
Ik kocht singeltjes van Kool & The Gang, Sniff & The Tears en Queen, en elpees van het Electric Light Orchestra, de Little River Band, Pink Floyd, Heart en zo meer. Allemaal niet heel bijzonder. Mijn favoriete platenzaak was ELPEE, waarover het hardnekkige gerucht ging dat in de platenhoezen hasj werd meeverkocht.

De wereld veranderde toen ik in 1983 ging studeren. Studievrienden hadden klassieke muziek in de platenkast en nieuwsgierig ben ik altijd geweest. Platen werden geleend en gekopieerd op cassettebandjes (TDK C90). Ik vond ook de weg naar de muziekbibliotheek en als ik geld had naar de platenzaak.
Ik had geen enkele kennis van muziek, componisten en muziekgeschiedenis en die eerste jaren waren een echte ontdekkingstocht. Via 'trial and error' kwam ik erachter wat ik wel en niet mooi vond.

Een van de ontdekkingen was Bach, de cellosuites gespeeld door Yo-Yo Ma. Drie elpees die de nieuwe vriendin van mijn vader had meegebracht. Ik vond het mooi en onbegrijpelijk tegelijkertijd. Hoe kon één man met één instrument zo lang mijn aandacht vasthouden? Het geluid van de cello raakte me in het hart, maar dat wil nog niet zeggen dat twee uur solospel ook kon boeien. En toch deed dat het, en doet het vandaag nog. Alleen luister ik nu liever naar de uitvoeringen van Heinrich Schiff of Pieter Wispelwey.

In de jaren tachtig deed de CD zijn intrede. Ik had geen haast met overstappen, zo'n ding was een forse investering. En ook ceedees zelf waren duur. Ik beperkte me tot het op cassette zetten van ceedees bij vrienden die al wel de overstap hadden gemaakt. Maar toen ik op mijn verjaardag van T. een ceedee kreeg met de opmerking 'En nu ga je zo'n apparaat kopen', ging ik overstag.
Een paar weken later stond er een zwarte Philips-speler op de plank en kon ik eindelijk mijn cadeau beluisteren. Ik was overrompeld, en niet alleen door de geluidskwaliteit. Die ceedee was het celloconcert van Elgar, door Paul Tortelier met het London Philharmonic onder leiding van Sir Adrian Boult. Die muziek kroop onder mijn huid en is daar altijd blijven zitten.

De ouders van studievriend M. woonden in een grote boerderij ergens achter Apeldoorn. De vader van M. was niet alleen fysiotherapeut maar ook een niet onverdienstelijke tenor. Hij liet ons luisteren naar zijn grote held Fritz Wunderlich. Via deze veel te jong gestorven lyrische tenor - op z'n vijfendertigste smakte hij van de trap en brak zijn nek - maakte ik kennis met een heel ander deel van het klassieke repertoire: het lied.
Duits was nooit mijn favoriete taal. Ik heb er braaf en met redelijk succes eindexamen in gedaan en het daarna gelaten voor wat het was. Nou ja, ik keek Tatort en Derrick op ARD en ZDF. Totdat ik Die schöne Müllerin hoorde. Het gemak waarmee Wunderlich de tekst tot leven bracht, de schijnbare eenvoud van de muziek - ik wilde meteen meezingen. Het werd, met de liedteksten in de hand, vooral luisteren.
Na Die schöne Müllerin volgde meer Schubert, en Schumann en Wolf. En dan niet door Wunderlich, maar door Fischer-Dieskau. Want hoe goed Wunderlich ook was, Fischer-Dieskau was beter. Wunderlich zong net iets te dramatisch voor Lieder. Fischer-Dieskau was precies goed.

Ik ging werken bij Wegener, op de redacties van Weekblad Motor en Automobiel Klassiek. In de kamer naast ons werden Luister en later ook Concertradio Magazine gemaakt. Ik sprong wel eens bij - en dat was echt een sprong in het diepe. Hier liepen De Experts rond. In het wild. Zij die met één pennestreek de reputatie van een musicus of platenlabel konden maken of breken. Ik wist gelukkig wel iets van het maken van tijdschriften.
De ceedees kwamen bij Luister met vrachtwagens tegelijk binnen. Het was altijd een strijd tussen de redacteuren wie welk plaatje mocht bespreken en houden. Maar natuurlijk waren er ook al altijd winkeldochters - geen slechte ceedees, maar niet opportuun om te bespreken. Een van de redacteuren zette op een goede dag een boxje met de verzamelde symphonieën van Dmitri Sjostakovitsj op mijn bureau. Het waren wat oudere opnames, door het orkest van het Ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie onder leiding van Gennady Rozhdestvensky. 'Hier moet je naar luisteren.'
Lezers van deze logjes weten dat mijn liefde voor Sjostakovitsj nooit meer is verdwenen.

Opera nam op de Luister-redactie een bijzondere plaats in. Natuurlijk omdat opera het enige ware Gesamtkunstwerk is maar ook omdat hoofdredacteur Paul Korenhof het eigenlijk over niets anders wilde hebben. Hij was in die tijd de vaderlandse opera-kenner (dat vond hij zelf in ieder geval wel) en was maar al te bereid zijn kennis te delen. Toen ik eens voorzichtig liet vallen dat ik wel eens wat Wagner had gehoord en dat mooi vond gaf hij mij de Ring-opname van Karl Böhm (Bayreuth 1967).
In 1999 deed ik met geliefde S. de Ring in het Holland Festival, in de magnifieke uitvoering van Pierre Audi. Mijn wereld zou nooit meer hetzelfde zijn. Als je een complete Ring hebt gedaan, je jezelf in een aantal dagen hebt ondergedompeld in die 18 uur durende magistrale ervaring, zijn je perceptie van theater en muziek voor altijd veranderd.

Het houdt niet op. De laatste tijd word ik via E. blootgesteld aan Bruckner. Hoewel ik merk dat ik het moeilijk vind om met dezelfde onbevangenheid als vroeger voor mij nieuwe muziek te omarmen, merk ik dat ook Bruckner onder mijn huid begint te kruipen.

En nu heb ik Cherubini ontdekt.